Rabobank Cijfers & Trends

Een visie op branches in het Nederlandse bedrijfsleven.
40e jaargang editie 2016/2017


Legpluimvee

  • VOLUME
  • SENTIMENT
  • PROGNOSE

VOLUME

-1 tot 1% stabiel

SENTIMENT

Gematigd positief

PROGNOSE

Neutraal

 

Perspectief 

Stabilisering aanbod in 2017 
Het aanbod van eieren zal naar verwachting in 2017 stabiel blijven t.o.v. 2016 (bron: Europese commissie). In 2016 is het aanbod t.o.v. 2015 gestegen met 80.000 ton naar 6.750.000 ton. Op dit moment is de meest onzekere factor de ontwikkeling rondom de uitbraken van vogelgriep in meerdere landen binnen de EU. Naast het productieniveau zal dit tevens de mogelijkheden voor export beïnvloeden. Daarnaast zal het stoppen van snavelbehandelingen bij een belangrijk deel van de hennen in Nederland en Duitsland impact kunnen hebben op enerzijds het aanbod van eieren uit deze regio en daarnaast het rendement op individuele bedrijven. Voor de markt van kooi eieren is het herstel van Poolse productie relevant. Daar zijn tijdelijk minder hennen (ca. 3,5-4 mln.) als gevolg van de salmonella problemen. De verwachting is dat dit herstel zich in Q2 2017 aandient.  De Rabobank verwacht dat ook in 2017 het aanbod relatief hoog zal blijven, wat na Pasen tot prijsdruk zal leiden. Vooral de prijzen van kooieieren zullen dan onder druk komen. De voerprijsverwachting is stabiel ten opzichte van het huidige niveau. De Rabobank verwacht dat 2017 een gemiddeld tot licht bovengemiddeld jaar wordt voor scharreleieren. Voor kooieieren zal dit gemiddeld tot beneden gemiddeld zijn. De segmenten van vrije uitloop en biologisch zullen wederom goede rendementen laten zien. 

Vraag en aanbod beter in balans
Terugkijkend op 2016 dan is de conclusie dat vraag en aanbod beter in balans is gekomen voor wat betreft de scharreleieren. Dit werd nog gesteund door een dalende voerprijs. Met een stabiliserende productie in Europa lijkt dit een weg te plaveiden om tot stabiele dan wel hogere rendementen te komen in 2017. Belangrijk hierbij is dat vraag en aanbod in balans blijven c.q. beter uitkomen. De markt voor kooieieren zal meer druk ondervinden als gevolg van goedkope import en daarnaast aanpassingen van receptuur bij producenten. De keuze zal in de industrie meer en meer voor scharreleieren of een hoger segment uitkomen. 

Investeren in nieuwe markten
De Nederlandse eiersector blijft kwetsbaar door haar zelfvoorzieningsgraad van ruim 300%. De Duitse sector lijkt in omvang te stabiliseren door strenge milieurestricties die uitbreiden nagenoeg onmogelijk maken.  De meeste andere Europese landen zijn nagenoeg zelfvoorzienend, uitgezonderd het Verenigd Koninkrijk (VK) en Frankrijk. Het scharrelei is in deze markten relatief onbekend. Met de uitbreidende omslag in de retail om afstand te doen van kooieieren neemt het afzetperspectief mogelijk toe. BVelangrijk is dan dat er wordt geïnvesteerd in afzetontwikkeling.  
Een nieuwe kans dient zich aan in de Duitse markt waar in de retail vanaf medio 2017 enkel eieren van hennen met hele snavels worden verkocht. De Nederlandse sector experimenteert daar al enige tijd mee en door het hoge niveau van vakmanschap en ondernemerschap lijkt deze sector hier als geen ander toe in staat. Ondanks dat het ook nog met vallen en opstaan gepaard zal gaan.  Als Nederland dit goed geïmplemteerd krijgt dan geeft dit weer nieuwe voorsprong en de mogelijkheid meer los te komen van de kostprijsdruk. 

Kooi verder in de ban
Duitsland verbiedt kooihuisvesting vanaf 2025. Daarnaast verkoopt de retail in het Verenigd Koninkrijk vanaf 2025 geen kooieieren meer. Ook in de VS zijn vergelijkbare afspraken gemaakt. Dit zal gevolgen hebben voor de Nederlandse sector. De markt gaat mogelijk eerder anticiperen op toekomstig beleid, het beeld wat ook bij het verbod op snavelbehandelen is te zien. Als exporterend land kunnen we niet anders dan tijdig op deze ontwikkelingen insleep om voldoende perspectief te behouden. Dit vraagt veerkracht van individuele ondernemingen. Vooral de kooibedrijven zullen komende jaren hun strategie moeten heroverwegen om hiermee het perspectief van hun onderneming zo goed mogelijk te borgen. 

 

Trends 

  • De verkopen in de Nederlandse retail verschuiven steeds meer naar het hogere segment van vrije uitloop en biologische eieren. In 2015 lag het omzetaandeel van deze eieren al op 35%. De verwachting is dat dit verder toeneemt.
  • Door het grotere aanbod van scharreleieren is de markt voor deze eieren meer aanbodgedreven, waardoor de sector kostprijsgedreven blijft;
  • De verwerkende industrie schakelt meer en meer over naar minimaal scharreleieren, het kooiverbod in Duitsland zal dit proces versnellen.
  • Toenemende duur van de legcyclus, doordat hennen hun productiviteit steeds langer behouden en door kostprijsgedrevenheid;
  • Door invulling te geven aan de maatschappelijke vraag naar diervriendelijk produceren is de markt voor vrije-uitloop- en biologische eieren de afgelopen jaren gegroeid en deze zal naar verwachting verder groeien;
  • Belangrijke issues in de sector zijn het verlagen van emissies (ammoniak, fijnstof en geur). Daarnaast mag vanaf 2018 geen snavelbehandeling bij leghennen meer plaatsvinden, naarbij de Duitse KAT eisen dit vanaf september 2016 eisen;
  • Aanwezigheid van vogelgriep bij wilde vogels vraagt om alertheid van pluimveehouders en andere erfbetreders. Verhoging van de hygiënestatus is noodzakelijk om besmettingsrisico te verlagen. Werken met hygiëneprotocollen zal vanaf dit jaar breder plaatsvinden in de sector.

 

Kansen en bedreigingen 

  • Nieuwe waarde-elementen aan het scharrelei toevoegen om aan een kostprijsgedreven markt te ontkomen;
  • De sector heeft hoge investeringen achter de rug in verband met het kooiverbod per 1-1-2012. Door verstoring van het marktevenwicht is de volatiliteit in de prijsvorming toegenomen. Dit vraagt om stevige buffers van individuele bedrijven;
  • De kostprijs van het EU-kooiei is gestegen door de hogere investeringen in de nieuwere, ruimere kooien. De concurrentiepositie van het EU-kooiei op mondiaal niveau is hierdoor verslechterd;
  • De verslechterde concurrentiepositie van het EU-kooiei is een kans voor de scharreleiproductie. De kostprijzen van het EU-kooiei en het scharrelei kruipen naar elkaar toe. Voor consumenten wordt daarom de keuze voor een nipt duurder scharrelei eenvoudiger;
  • In de belangrijkste afzetmarkt voor Nederlandse eieren, Duitsland, stabiliseert de zelfvoorzieningsgraad;
  • De Duitse markt vraagt vanaf 2017 om eieren van onbehandelde leghennen;
  • Het scharrelei is specifiek afgestemd op de Nederlandse en Duitse markt, daarbuiten moet de markt voor dit ei verder worden ontwikkeld;
  • De pluimveehouderij heeft het mestprobleem deels opgelost door de bouw van de mestverbrandingscentrale DEP; dit biedt kansen. Deze installatie blijft in ieder geval tot 2030 operationeel. Veel pluimveemest wordt rechtstreeks getransporteerd naar het buitenland. Voor droge mest (80-85% ds) zijn er goede afzetkansen;
  • Vogelgriep (zowel de voor mensen gevaarlijke variant H5N1 als de minder kwaadaardige vormen) zijn een bedreiging voor de sector. Denk hierbij aan inkomstenderving, imagoschade, schade door ophokken en/of ruimen, schade door het stagneren van de logistieke transporten van dieren en eieren;
  • Meer vakmanschap is vereist voor het houden van hennen in alternatieve houderijsystemen. Het verbod op snavelbehandeling doet een extra beroep op het vakmanschap van pluimveehouders.

De Nederlandse legpluimveehouderij bestaat in 2016 uit 920 legpluimveebedrijven met 36,5 mln. leghennen die op jaarbasis ca. 10,5-11 miljard eieren produceren (bron: CBS, meitelling 2016).  De gemiddelde bedrijfsgrootte is 40.000 leghennen. Daarnaast worden ca. 3 mld. eieren (of ei-equivalenten) geïmporteerd. Op gespecialiseerde opfokbedrijven worden de hennen opgefokt. Er zijn 150 opfokbedrijven met 9,5 mln. opfokplaatsen. De afzet van de eieren gebeurt veelal via gespecialiseerde pakstations of verwerkende industrie. Zestig procent van de eieren wordt als tafelei (of schaalei) geconsumeerd, veertig procent wordt verwerkt tot eiproduct. Van het totale aantal eieren wordt 75% geëxporteerd, waarbij Duitsland met 60% exportbelang de belangrijkste handelspartner is.

Vraag
De consumptie van eieren verschilt van land tot land door verschillen in eetgewoonten. Het hoofdelijk verbruik in de EU-27 (2012) ligt op gemiddeld 213 stuks per jaar. Het hoogste verbruik haalt Spanje met 280 eieren per hoofd van de bevolking. In Portugal is dat slechts 142 eieren.
In 2015 was het verbruik in Nederland  boven 200 eieren. Hiervan wordt steeds meer in be-/verwerkte vorm geconsumeerd (kant-en-klaarmaaltijden, toetjes, gebak, ijs, etc.). Schatting is dat 65-70% uit de dop wordt geconsumeerd. Ca. 90% van alle geproduceerde eieren in Nederland is geproduceerd op scharrel-/volièrebedrijven, al of niet met buitenuitloop. De retail in Nederland en Duitsland is, mede onder druk van ngo's, volledig omgeschakeld naar alternatieve eieren (vnl. scharrel/volière). Ook Engelse, Belgische en Franse retailers nemen steeds meer scharreleieren op in het assortiment. Zo heeft de Engelse retail aangekondigd vanaf 2025 geen kooi eieren te verkopen. Deze ontwikkeling zet zich voort. 

Aanbod
De laatste jaren stijgt de productie van eieren. De Europese Unie heeft in 2016 (jan-aug) 11,6 procent minder eieren en eiproducten ingevoerd en 2 procent mminder eieren en eiproducten uitgevoerd dan in 2014. 

In 2016 (jan-aug) werd 11.058 ton ei-equivalent ingevoerd, waarvan meer dan de helft uit  Oekraine (5.948 ton; 54 procent). Oekraïne is de nieuwkomer als gevolg van het vrij handelsakkoord.  De export is ook gedaald, met 2% naar 160.081 ton, waarmee de EU netto exporteur is. De zelfvoorzieningsgraad ligt rond de 105%, wat de markt kwetsbaar maakt voor volatiele opbrengstprijzen.(Bron: Pluimveehouderij, 10 november)

In ons land zijn waren in 2016 9,5 miljoen opfokhennen met een leeftijd tot 18 weken en ca. 36,5 miljoen leghennen aanwezig. Daarvan wordt ongeveer twee derde gehouden in de provincies Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. Het aantal legbedrijven lag in 2016 op 920, de gemiddelde omvang komt hiermee op 40.000 leghennen.
Het familiebedrijf voert in Nederland de boventoon. In het buitenland is het gemiddelde bedrijf veelal kleiner, wel zijn er in de ons omringende landen vaak enkele zeer grootschalige producenten (bijvoorbeeld in Duitsland, Polen, Italië, Frankrijk en Spanje).

Omzet

Ongeveer de helft tot 60% van de in Nederland geproduceerde eieren wordt geëxporteerd. Belangrijkste exportland is Duitsland. Vooral de tafeleieren worden naar dit land geëxporteerd (±74% van de export). Ook de eiproducten gaan veelal naar dit land (ca. 34%), toch is de export van deze halffabricaten meer verdeeld over heel Europa. Andere belangrijke afzetlanden zijn België, het VK, Zwitserland en Oostenrijk.
De eiproductenindustrie in Nederland is het grootschaligst binnen Europa. Voor de afzet en verwaarding van eieren is deze industrie zeer belangrijk voor de Nederlandse keten. Tweede soort eieren, scharreleieren en kooieieren, worden door deze branche tegen een meerwaarde afgezet binnen Europa. Steeds meer alternatief geproduceerde eieren worden door de industrie verwerkt.

Legpluimveebedrijven
Het aantal bedrijven met leghennen neemt geleidelijk af. Bijna twee derde van de bedrijven is gespecialiseerd in leghennen voor consumptie-eieren. Op de grotere bedrijven speelt automatisering een belangrijke rol. Mede als gevolg van marktontwikkelingen zal de omvang van het gemiddelde bedrijf verder groeien. Het aantal leghennen in Nederland zal op gelijk niveau blijven.

Pluimvee-eenheden(rechten):
Door het stelsel van varkens- en pluimveerechten wordt het aantal varkens, kippen en kalkoenen in Nederland gereguleerd. Specifiek voor de pluimveehouderij zijn er pluimvee-eenheden benodigd. Voor het houden van 1 leghen is 1 pluimvee-eenheid nodig. Pluimvee-eenheden zijn verhandelbaar. De verhandelbaarheid is beperkt als gevolg van de compartimentering. Bij verhandeling vindt geen afroming plaats. Ook kunnen eenheden jaarlijks geleased worden.

In 2013 waren er 97.7 mln stuks pluimvee in Nederland, in 2016 is dit gestegen tot 104,5 mln. Door deze toename is de beschikbaarheid van pluimveerechten onder druk gekomen. Uitstel van aankoop bij investeringen is dan ook niet meer verantwoord. 

Bedrijfskolom 
De productiekolom voor eieren strekt zich uit van de fokkerijsector tot de eiproductenindustrie. 


Schematisch ziet de kolom in Nederland er als volgt uit (2016)
:

Fokkerij1 fokorganisatie
90 legouderdierenbedrijven incl. opfok
Legouderdieren1.445.000 moederdieren incl. opfok
Broederij8 broederijen
capaciteit 75 miljoen jonge henkuikens
Opfoklegbedrijven150 opfokbedrijven 
9,5 miljoen opfokhennen
Leghennenbedrijven920 legbedrijven (>1.000 hennen) 
36,5 miljoen leghennen
Jaarproductie ca 11 miljard eieren
PakstationsCa. 7 pakstations (gem. 100 mln eieren)
5 grootste partijen hebben 80% marktaandeel
Eiproductenindustrie2 grootste marktaandeel van ca 75%

Update: januari 2017


De keten in Nederland kent een losse structuur. Behalve de fokkerij-organisaties wordt de keten gekenmerkt door zelfstandige losstaande bedrijven. De situatie in Nederland vormt daarmee een uitzondering ten opzichte van de ketens in het buitenland, waar de kolom duidelijk meer geïntegreerd is.

De Integrale Keten Beheersing (IKB) stelt kwaliteitsvoorwaarden op basis waarvan een bedrijf gecertificeerd wordt. Nagenoeg alle (professionele) pluimveebedrijven zijn IKB-waardig. Het Duitse KAT huisvestingscontrole systeem is een standaard voor de Duitse markt. Eieren die in Duitsland worden verhandeld dienen hieraan te voldoen.

Marktpositionering / strategie
De legpluimveehouderij kenmerkt zich door een deels (schatting één derde) contractgebonden productie. Schaalgrootte en het leveren van een goede kwaliteit zijn van groot belang om een interessante marktpartij te zijn en te blijven. Daarnaast is het hebben van een lage kostprijs van belang. De inkomensverschillen bij de legpluimveehouders ontstaan voornamelijk door verschillen in technische resultaten en een lage kostprijs.